Wat moet er na het overlijden allemaal geregeld worden?
Overlijden & nalatenschap
Wat moet er na het overlijden allemaal geregeld worden?
Na een overlijden moeten er veel praktische zaken worden geregeld. Meestal worden deze zaken geregeld door de nabestaanden van de overledene. Denk hierbij aan zaken als:
- de aangifte van overlijden
- de uitvaart
- administratieve en financiële afwikkeling
Aangifte van overlijden
Allereerst moet het overlijden worden vastgesteld door de behandelend (huis-)arts of door de gemeentelijke lijkschouwer. Deze geeft een verklaring van overlijden af. Vervolgens moet het overlijden worden ingeschreven in de registers van de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden.
Iedereen die van het overlijden kennis genomen heeft, is bevoegd tot het doen van aangifte van overlijden. In de praktijk is het vaak de uitvaartonderneming die zorgdraagt voor de aangifte. Er is geen termijn waarbinnen die aangifte moet worden gedaan.
Na de aangifte maakt de ambtenaar van de Gemeentelijke Basisadministratie een zogenaamd bewijs van overlijden op. Een notaris zal altijd om dit bewijs vragen voordat hij zijn werkzaamheden met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap kan beginnen.
Als er geen sprake is van een natuurlijke doodsoorzaak, is de arts of lijkschouwer verplicht de officier van justitie in te lichten, zodat deze een nader onderzoek kan instellen naar de doodsoorzaak. Euthanasie, een misdrijf of zelfmoord zijn voorbeelden van een onnatuurlijke doodsoorzaak.
Let op: de meeste polisvoorwaarden van levensverzekeraars bepalen dat als er sprake is van zelfmoord binnen twee jaar na het afsluiten van de betreffende levensverzekering, de verzekeringsuitkering kan worden geweigerd.
De uitvaart
Volgens de wet moet de overledene uiterlijk op de vijfde dag na het overlijden worden begraven of gecremeerd. Overlijdt iemand op maandag dan moet de uitvaart of de crematie dus uiterlijk op de zaterdag daarop plaatsvinden.
De begrafenis of crematie mag ook weer niet binnen 36 uur na het overlijden plaatsvinden. Dit is om te voorkomen dat een ‘schijndode' wordt begraven of gecremeerd. Verder moet het stoffelijk overschot volgens de wet worden begraven of gecremeerd in een houten kist.
Administratieve en financiële afwikkeling
Na het overlijden moet de administratie en de financiën van de overledene worden afgehandeld. Denkt u hierbij aan:
- het doen van de laatste aangifte (inkomsten)belasting van de overledene
- het informeren van de (eventuele) werkgever, bank- en kredietinstellingen, pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en de hypotheekverstrekker
- het informeren van het UWV als de overledene een uitkering kreeg op grond van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid
- het informeren van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) als de overledene een uitkering kreeg op grond van de AOW of de ANW.
Bank- en girorekeningen
Zodra de bank geïnformeerd is over het overlijden, zal de bank de rekeningen van de overledene blokkeren. Lopende machtigingen komen te vervallen met als gevolg dat nabestaanden/erfgenamen niet meer over deze rekening(en) kunnen beschikken.
Let op: als de bank of kredietinstelling niet wordt geïnformeerd omtrent het overlijden en een gemachtigde neemt toch geld op, dan is er sprake van een onbevoegde handeling. Door deze geldopname worden andere erfgenamen mogelijk benadeeld.
Ook zogenaamde ‘en/of-rekeningen' en ‘en/en-rekeningen' worden in de praktijk vaak geblokkeerd, maar automatische betalingsopdrachten worden wel doorgevoerd. Als u de mede-rekeninghouder bent van deze rekening, is het verstandig om de bank te vragen naar de lopende automatische overboekingen om deze zonodig stop te zetten.
Voor alle en/of-rekeningen en alle en/en-rekeningen geldt dat het saldo op de betreffende rekening niet automatisch voor de helft toebehoort aan de overledene en voor de andere helft aan de mede-rekeninghouder. Of en voor hoeveel de mede-rekeninghouder recht heeft op het saldo van de betreffende rekening moet blijken uit een overeenkomst, bijvoorbeeld een samenlevingscontract.
Als bijvoorbeeld een ouder met zijn of haar kind een en/en- of een en/of-rekening heeft, dan is het mede-rekeninghouderschap van het kind niet voldoende om aan te nemen dat het kind recht heeft op de helft van het saldo van die rekening.
