Basisprincipes van het wettelijke erfrecht

Terug naar overzicht

Basisprincipes van het wettelijke erfrecht

Erfopvolging is het overgaan van het vermogen (de bezittingen en schulden) van degene die overleden is (de erflater) naar de erfgenamen. Erfgenamen volgen de overleden persoon dus op in zijn vermogen. Dat wil zeggen dat zij verantwoordelijk zijn geworden voor de bezittingen en schulden van de overledene.

Het is dus van belang te weten of u na iemands overlijden erfgenaam bent of niet.
In het geval de overledene geen testament heeft gemaakt, waarin hij erfgenamen heeft aangewezen, bepaalt de wet wie de erfgenamen zijn. Men spreekt in een dergelijk geval ook wel van het wettelijke erfrecht.

Bloedverwantschap

De basis van het wettelijke erfrecht is bloedverwantschap tussen de overledene en de erfgenamen. Bloedverwantschap is de relatie tussen twee personen die een gemeenschappelijke voorouder hebben.

Van bloedverwantschap is sprake als:

  1. de ene persoon van de andere afstamt. Bijvoorbeeld grootvader, vader en kind, of
  2. personen een gemeenschappelijke stamvader of stammoeder hebben. Bijvoorbeeld: A heeft twee kinderen B en C. B heeft op zijn beurt ook twee kinderen D en E en C heeft één kind F. Tussen A's kinderen en kleinkinderen bestaat bloedverwantschap.

De mate van bloedverwantschap wordt uitgedrukt in graden. De graad van verwantschap tussen personen die ‘in rechte lijn' van elkaar afstammen, wordt bepaald door het aantal generaties tussen hen te tellen. Zo zijn een vader en zoon 1e graads bloedverwanten en een grootvader en kleinkind 2e graads bloedverwanten.

Om de graad van bloedverwantschap te bepalen tussen personen die ‘in de zijlijn' aan elkaar verwant zijn (bijvoorbeeld broers en zussen) telt u eerst het aantal generaties naar de gemeenschappelijke voorouder en dan weer terug naar de betreffende persoon. Zo zijn broers en zussen 2e graads bloedverwanten en neven en nichten 4e graads bloedverwanten.

Bloedverwantschap alleen is niet voldoende om erfgenaam te kunnen zijn; er moet een door de wet erkende familierechtelijke betrekking zijn met de overledene. Het niet door de biologische vader erkende kind doet niet mee als erfgenaam in de nalatenschap van zijn biologische vader. Dit kind is dus wel bloedverwant (want het stamt af van zijn biologische vader), maar staat tot deze vader niet in een familierechtelijke betrekking.

Op de basisregel dat een erfgenaam een bloedverwant moet zijn van de overledene bestaan twee bekende uitzonderingen:

  • de echtgenoot of geregistreerd partner van de overledene
  • het geadopteerde kind van de overledene

Zijn zij beiden geen bloedverwant, maar staan wel in familierechtelijke band tot de overledene.

Aanverwantschap

Aanverwantschap ontstaat door het huwelijk en door geregistreerd partnerschap. Er is dus geen sprake van een ‘bloedband' tussen aanverwanten, maar van een ‘huwelijksband'. Echtgenoten zijn dus aanverwant aan elkaar.

Ook een schoondochter of zwager is aanverwant. Schoondochters, schoonzoons, schoonouders, stiefkinderen en andere aanverwanten zijn dus geen wettelijke erfgenamen. Zij kunnen dus alleen erven als de overledene hen in het testament als erfgenaam heeft aangewezen.