Voor welke kinderen bestaat recht op kinderbijslag?

Terug naar overzicht

Voor welke kinderen bestaat recht op kinderbijslag?

U heeft recht op kinderbijslag voor:

1. Uw eigen kinderen.
2. Aangehuwde kinderen (stiefkinderen).
3. Pleegkinderen.

1. Eigen kinderen

Voor de vrouw tellen als eigen kinderen mee:

  • Kinderen waar zij zelf de biologische moeder van is, of
  • Kinderen die zij geadopteerd heeft

Voor de man zijn eigen kinderen:

  • Kinderen die tijdens zijn huwelijk zijn geboren
  • Kinderen die door hem erkend zijn
  • Kinderen waarbij het vaderschap door een DNA test is vastgesteld
  • Kinderen die hij geadopteerd heeft
  • Kinderen waarvoor hij verplicht is bij te dragen aan de kosten van de verzorging en opvoeding.

2. Aangehuwde kinderen

Aangehuwde kinderen zijn stiefkinderen. Er hoeft geen sprake te zijn van een huwelijk. Ook bij een geregistreerd partnerschap of in geval van samenwoning (gezamenlijke huishouding) bestaat er recht op kinderbijslag voor stiefkinderen.

Een voorbeeld.

Sem en Joke hebben beiden twee kinderen uit eerdere huwelijken. Zij willen niet meer trouwen, maar gaan wel met elkaar samenwonen. Omdat ze dan vier kinderen hebben stopt Joke met werken. Zij gaat voor de kinderen zorgen. Joke heeft dan ook recht op kinderbijslag voor de kinderen van Sem.

Stel nu dat het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke huishouding eindigt, wat gebeurt er dan? Ook dan houdt het stiefkind de status van een aangehuwd kind. De reden voor beëindiging doet er niet toe.

Een voorbeeld.

Sem uit vorige voorbeeld overlijdt. Joke krijgt dan kinderbijslag voor de kinderen van Sem.

3. Pleegkinderen

Een kind is een pleegkind als dat kind wordt opgevoed en onderhouden door de pleegouder.

Tussen pleegouder en kind moet een band bestaan die vergelijkbaar is met gewone ouders. Om een kind te kunnen opvoeden moet de pleegouder niet ver weg wonen en het kind zeer regelmatig zien. Ook moet de pleegouder alle belangrijke beslissingen nemen voor het kind. Bijvoorbeeld naar welke school het kind gaat.

De pleegouders nemen dus de plaats in van de ouders.

Zolang er nog een ouder is die niet uit het ouderlijk gezag is ontzet wordt deze geacht nog beslissingen te nemen over de opvoeding van het kind. Er kan dan geen sprake zijn van pleegouderschap.

Als u pleegouder bent moet u in zo'n geval aannemelijk maken dat de banden tussen de natuurlijke ouder en het betrokken kind (vrijwel) geheel zijn verbroken zodat u de plaats van de ouder(s) hebt ingenomen.

Een voorbeeld.

De ouders van Bianca zijn gescheiden. Zij blijft bij haar moeder wonen. Haar moeder is echter zo depressief dat zij niet voor Bianca kan zorgen. Bianca gaat daarom bij haar oma wonen. Zij ziet haar moeder nog wel regelmatig. Haar moeder blijft kinderbijslag ontvangen omdat zij nog steeds de belangrijkste keuzes voor Bianca maakt.

Tijdelijke voogdij en kinderbijslag

Als u door een uitspraak van een Nederlandse rechter belast bent met de (tijdelijke) voogdij over een kind en het kind behoort tot uw huishouden dan wordt dat kind aangemerkt als pleegkind. U heeft dan dus ook recht op kinderbijslag.

Adoptie van een kind uit het buitenland en kinderbijslag

Als u een kind adopteert uit het buitenland dan hoort u op een gegeven moment wie het kind is dat u toegewezen krijgt. Vanaf dat moment wordt u geacht een band te hebben met het kind. U kunt dan kinderbijslag voor het kind als pleegkind krijgen.

Er zijn dan twee situaties:

Tussen het tijdstip van toewijzing en het moment waarop het kind bij u in huis komt wonen duurt korter dan zes maanden of langer dan zes maanden

Korter dan zes maanden

Als vaststaat dat u voldoet aan de onderhoudseis wordt het kind voor deze zes maanden als pleegkind aangemerkt. Andere eisen worden niet gesteld.

Langer dan zes maanden

Duurt deze periode langer dan zes maanden, dan kan er toch kinderbijslag worden ontvangen als:

  • De onderhoudsbijdrage werd betaald, én
  • Het adoptieproces reeds in een onomkeerbaar stadium verkeerde, dat wil zeggen dat het kind reeds was toegewezen en geaccepteerd, én
  • U contact had met het kind, én
  • U invloed kon uitoefenen op de verblijfplaats en/of de opleiding van het kind.