praktijkvoorbeelden

Terug naar overzicht

Passende arbeid en inkomensderving

De heer Jansen is loodgieter. Na enkele jaren in loondienst te hebben gewerkt, is de heer Jansen in 1980 zelfstandig ondernemer geworden. Hij sluit dan ook een arbeidsongeschiktheidsverzekering af. Het zelfstandig ondernemerschap leidde tot een verdriedubbeling van het inkomen van de heer Jansen.

In 1990 raakt de heer Jansen arbeidsongeschikt. Hij doet een beroep op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. De polisvoorwaarden bepalen:

‘arbeidsongeschiktheid is aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van ongeval en/of ziekte voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden, in redelijkheid van hem verlangd kunnen worden. Bij het aldus vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid zal derhalve geen rekening worden gehouden met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid'

De verzekeraar betaalt aanvankelijk een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een arbeidsdeskundig onderzoek wijst uit dat de heer Jansen passend werk kan doen. Er zijn verschillende functies die de heer Jansen met zijn beperkingen nog kan doen. De heer Jansen erkent dat hij medisch gezien dat werk kan doen.

Maar met dat passend werk kan de heer Jansen veel minder verdienen. Daarom claimt de heer Jansen toch volledig arbeidsongeschikt te zijn. De rechtbank wijst de vordering van de heer Jansen af. In hoger beroep bepaalt het gerechtshof dat een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden met zich brengt dat bij passend werk rekening wordt gehouden met het inkomen dat daarmee kan worden verdiend.

Bij passende arbeid is niet alleen relevant of de heer Jansen die arbeid medisch gezien kan doen, maar ook welke gevolgen dat heeft voor zijn inkomen. Er valt geen algemene regel te geven hoe groot de inkomensachteruitgang ten opzichte van de oude situatie moet zijn om te kunnen oordelen dat de betreffende passende arbeid in redelijkheid niet van de verzekerde verlangd kan worden.