praktijkvoorbeelden

Terug naar overzicht

Uitzonderlijk geval. Toeslag met langer dan één jaar terugwerkende kracht.

Mevrouw Kaya heeft vanaf 14 augustus 2000 een volledige WAO uitkering ontvangen. Vanaf 4 september 2000 heeft zij 32 uur per week gewerkt. Als gevolg daarvan ontving zij vanaf deze datum (tijdelijk) geen uitkering.

Vanaf 1 november 2000 is mevr. Kaya 18 uur per week gaan werken. Haar uitkering is vanaf die datum uitbetaald als ware zij 35-45% arbeidsongeschikt.

Pas op 3 april 2007 heeft mevr. Kaya een toeslag bij het UWV aangevraagd. In haar aanvraag heeft ze aangegeven dat haar inkomen per 1 januari 2002 is gedaald (bedoeld is 2001). Het UWV heeft aan mevr. Kaya per 3 april 2006 een toeslag toegekend. Mevr. Kaya is het daarmee niet eens.

De rechter is van mening dat er sprake is van een bijzonder geval. Mevr. Kaya heeft een beperkt opleidingsniveau, er is sprake van taalachterstand en beperkte geestelijke vermogens van mevr. Kaya. Ter ondersteuning hiervan zijn vier verklaringen overgelegd -van haar huisarts, de afdelingsmanager van haar werk, haar zus en van de haar ondersteunende dienstverlener- die een beeld geven van haar geestelijke vermogens.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen dient te worden geconcludeerd dat mevr. Kaya, gezien haar beperkte geestelijke bagage, niet in staat moet worden geacht te zijn geweest om voor 3 april 2007 de toeslag bij het UWV aan te vragen of om dat door iemand anders te laten doen. Daarbij overweegt de rechtbank dat mevrouw Kaya (kennelijk) wel heeft bemerkt dat het vanaf 2001/2002 voor haar moeilijk werd om financieel rond te komen, maar dat uit de verklaringen volgt dat zij -zonder hulp- niet in staat was dit te relateren aan het eventuele gemis van een toeslag.

Dat mevrouw Kaya, blijkens de overgelegde verklaringen, verder in een eigen wereld leeft en moeilijk naar buiten treedt, heeft, zo overweegt de rechtbank, er kennelijk toe geleid dat zij ook niet in staat was hulp van een derde in te roepen.

Daarbij overweegt de rechtbank verder dat de betreffende dienstverlener (in 2007) enkel op verzoek van de zus van mevrouw Kaya ondersteuning aan mevrouw Kaya heeft aangeboden en dat het initiatief hiertoe niet bij mevrouw Kaya zelf heeft gelegen. Gezien de hiervoor geconstateerde beperkte geestelijke vermogens van mevrouw Kaya, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een bijzonder geval.