praktijkvoorbeelden

Terug naar overzicht

Veroordeling zedendelict geen reden voor ontslag op staande voet

Een docent Duits wordt op staande voet ontslagen nadat hij door de strafrechter is veroordeeld voor verkrachting en het plegen van ontucht met een veertien jarige scholier. De werknemer ontkent alle beschuldigingen en gaat tegen zijn veroordeling in hoger beroep.

In hoger beroep wordt de werknemer strafrechtelijk vrijgesproken. Volgens de rechter in hoger beroep kan onvoldoende worden uitgesloten dat de aangifte van de scholiere van verkrachting en ontucht op fantasie berustte.

De docent vecht daarop het ontslag op staande voet aan. In zijn visie had de school pas tot ontslag op staande voet kunnen en mogen overgaan als hij ook in hoger beroep veroordeeld zou zijn. De school stelt zich op het standpunt dat zij uit mocht gaan van de veroordeling van de eerste rechter. Bovendien, zo stelt de school, was een terugkeer van de docent sowieso uitgesloten vanwege een vertrouwensbreuk. De ouders en leerlingen van de school zouden een terugkeer niet accepteren.

Volgens de rechter geldt in het strafrecht, maar ook in het arbeidsrecht, het beginsel dat iemand onschuldig is totdat het tegendeel bewezen is. De school had er rekening mee moeten houden dat de docent na de eerste veroordeling in hoger beroep alsnog vrijgesproken had kunnen worden. Volgens de rechter heeft de school dus té snel besloten om over te gaan tot ontslag op staande voet. De werkgever had het hoger beroep van de strafzaak af moeten wachten.

Het ontslag op staande voet wordt dan ook ongedaan gemaakt. De werkgever moet met terugwerkende kracht het loon van de docent doorbetalen. Vanwege de verstoorde arbeidsrelatie wordt de arbeidsovereenkomst wel ontbonden. Aan de docent moet echter een ontslagvergoeding betaald worden van ongeveer 70.000 euro.