praktijkvoorbeelden

Terug naar overzicht

Hoge ontslagvergoeding door concurrentiebeding

Lars Meijer start op 1 februari 2007 als commercieel manager bij een groothandel in papier. Zijn salaris bedraagt 6.000 euro bruto per maand.

Als commercieel manager moet Lars verschillende mensen aansturen, waaronder drie key accountmanagers. Al na een jaar krijgt Lars van de directie te horen dat er kritiek is op zijn functioneren. Van zijn werkgever krijgt Lars een half jaar de tijd om zijn functioneren aan te passen.

Lars is het met de kritiek niet eens, maar geeft aan dat hij denkt zijn werkgever in het komende half jaar van zijn kwaliteiten te kunnen overtuigen. Nog voordat het half jaar voorbij is, krijgt Lars van zijn werkgever te horen dat een ontslag onvermijdelijk is. Omdat overleg over een vertrekregeling niet tot resultaat leidt, start de werkgever in april 2008 een ontslagprocedure bij de kantonrechter.

De kantonrechter stelt vast dat de leidinggevende functie van Lars met zich meebrengt dat een ontslag onvermijdelijk is als de directie of aandeelhouders geen vertrouwen meer in hem hebben. Hoge bomen vangen nu eenmaal veel wind.

Aan de andere kant vindt de kantonrechter dat dit hoge afbreukrisico zou moeten leiden tot een hogere ontslagvergoeding dan bij een ‘gemiddelde' werknemer. Ook vindt de kantonrechter dat de kantonrechtersformule in deze zaak niet van toepassing is vanwege het korte dienstverband van Lars.

Lars beklaagt zich tijdens de ontslagprocedure nog over het feit dat zijn werkgever hem ook nog wil houden aan een afgesloten concurrentiebeding. De kantonrechter houdt hier bij zijn einduitspraak rekening mee. De rechter vindt een beëindiging van het dienstverband onvermijdelijk, maar veroordeelt de werkgever om Lars een ontslagvergoeding te betalen van 40.000 euro in het geval Lars niet meer gebonden is aan het concurrentiebeding.

Als de werkgever niet bereid is om een streep te zetten door het concurrentiebeding, zal de ontslagvergoeding volgens de rechter 100.000 euro moeten bedragen.