praktijkvoorbeelden

Terug naar overzicht

Werknemer heeft ook recht op ontslagvergoeding na UWV-procedure

Anouk de Bruin is afdelingshoofd bij een landelijke vereniging. Ze is al sinds 1970 in dienst en verdient ongeveer 3.100 euro bruto per maand. In juni 2007 besluit de vereniging te reorganiseren en krijgt Anouk te horen dat haar functie komt te vervallen.

De werkgever van Anouk vraagt via het UWV Werkbedrijf een ontslagvergunning aan wegens bedrijfseconomische redenen. Een ontslagvergoeding krijgt zij niet aangeboden. In september verleent het UWV Werkbedrijf de ontslagvergunning en wordt het dienstverband van Anouk opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. Op 1 januari 2008 eindigt het dienstverband van Anouk.

Anouk laat het er niet bij zitten. Zij vindt dat zij vanwege haar trouwe en langdurige dienstverband recht heeft op een ontslagvergoeding. Via een advocaat start Anouk een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag. Zij claimt bij de kantonrechter een ontslagvergoeding van ongeveer 160.000 euro. De kantonrechter wijst de claim van Anouk af. Anouk gaat in hoger beroep bij het Gerechtshof.

Het Gerechtshof komt tot een ander oordeel. Volgens het Gerechtshof had van de werkgever verwacht mogen worden dat hij Anouk een vergoeding zou hebben aangeboden op basis van de kantonrechtersformule minus 30%. Volgens het gerechtshof is het duidelijk dat Anouk van het ontslag geen verwijt kan worden gemaakt.

De 30%-aftrek vindt het Gerechtshof redelijk omdat de werkgever door de ontslagprocedure bij het UWV Werkbedrijf en de opzegtermijn Anouk een aantal maanden langer heeft moeten doorbetalen, dan in het geval de werkgever via de kantonrechter het ontslag van Anouk zou hebben aangevraagd.

Ook vindt het Gerechtshof dat de slechte financiƫle positie van de werkgever aanleiding is om de ontslagvergoeding nog iets te matigen. Uiteindelijk wordt de ontslagvergoeding vastgesteld op een bedrag van 73.500 euro.