Welke schade komt als overlijdensschade voor vergoeding in aanmerking?

Terug naar overzicht

Welke schade komt als overlijdensschade voor vergoeding in aanmerking?

De basis van overlijdensschade ligt in het argument dat u als nabestaande door het overlijden niet meer in staat bent om uw niveau van levensonderhoud te handhaven. Door het wegvallen van de overledene, wordt u in uw portemonnee geraakt.

In de eerste plaats moet dan dus gekeken worden naar het bedrag dat de overledene aan uw levensonderhoud bijdroeg.

Dat is niet altijd even makkelijk vast te stellen. Als de overledene kostwinner was, dan kwam de hele huishouding voor zijn rekening. Maar als er een gezin met vrouw en kinderen achterblijft, is niet direct duidelijk voor welk deel ieder van het gezinsinkomen profiteerde.

In elk geval moet de overlijdensschade gebaseerd worden op het reële inkomensverlies van de nabestaanden. De aansprakelijke partij kan niet volstaan met een schadevergoeding ter grootte van het huishoudgeld van de achterblijvende echtgenote of het zakgeld van de kinderen.

Om de overlijdensschade te berekenen wordt het gezinsinkomen op een bepaalde manier toegerekend aan elk gezinslid. Daarbij wordt natuurlijk ook rekening gehouden met het feit dat de overledene zelf ook een deel van het gezinsinkomen verbruikte.

Verder zullen vaste lasten door het overlijden niet veranderen, maar bepaalde variabele lasten wel. Denk hier aan de kosten die de overledene voor zichzelf maakte, zoals voor voedsel, kleding en vakantie. Door het overlijden vervalt dit deel van de variabele lasten.

Om het aandeel van de overledene en de nabestaanden in de variabele kosten te bepalen - toe te rekenen - wordt gebruik gemaakt van een systeem dat bekend staat als de Amsterdamse Schaal. Elk gezinslid krijgt op basis van dit systeem een aantal punten.

Zo krijgt de overgebleven ouder 100 punten en de kinderen 15 tot 80 punten, een en ander afhankelijk van hun leeftijd. Ook aan de overleden kostwinner worden 100 punten toegekend. De op deze manier vastgestelde punten worden bij elkaar opgeteld en tot een breuk omgewerkt. Deze breuk bepaalt vervolgens ieders deel in de variabele kosten van het gezin.

Een voorbeeld.

Een gezin bestaat uit een man, een vrouw en een tweeling van vier jaar. Vijftig procent van het netto gezinsinkomen gaat op aan variabele lasten, zoals eten, drinken, recreatie en kleding. Hiervoor was jaarlijks 25.000 euro (netto) beschikbaar. In de Amsterdamse Schaal krijgen de ouders 100 punten en kinderen van vier ieder 35 punten.

Op een dag overlijdt de man door een auto-ongeval. De man was kostwinner van het gezin. De eerste stap bij het berekenen van de overlijdensschade is het toerekenen van de variabele kosten aan de nabestaanden. Dat gaat als volgt:

Alle punten bij elkaar komen uit op een totaal 270. Man en vrouw zijn ieder goed voor 100/270 van het variabele deel van het gezinsinkomen. Het restant wordt volgens de breuk 35/270 aan elk van de twee kinderen toegerekend. Dit betekent dat aan de vrouw wordt toegerekend 100/270 x 25.000 euro = 9.259 euro. Aan elk van de kinderen wordt toegerekend 35/270 x 25.000 = 3.241 euro.

Op deze manier komt in beeld wat de overledene qua variabele lasten bijdroeg aan het levensonderhoud van ieder van de nabestaanden.

Stap twee bij het berekenen van de overlijdensschade gaat over het toerekenen van de vaste lasten. Deze worden op een aparte manier toegerekend aan de nabestaanden, waarbij de standaardverdeelsleutel uitgaat dat de achterblijvende ouder tweemaal het deel van het kind of de kinderen krijgt toebedeeld.

Opnieuw een voorbeeld.

De gegevens zijn gelijk aan het vorige voorbeeld. Naast een bedrag van 25.000 euro aan variabele kosten is er ook een bedrag van 25.000 aan vaste kosten per jaar. Van deze vaste kosten wordt een bedrag van 12.500 euro aan de vrouw toegerekend en 6.250 euro aan elk kind.

De totale jaarschade van de vrouw (variabele kosten plus vaste kosten) komt daarmee uit op een bedrag van 21.759 euro. Voor elk kind bedraagt de totale jaarschade 9.491 euro. Deze bedragen noemt men ook wel de behoeftigheid per jaar.

De aansprakelijke partij (degene die het overlijden veroorzaakt heeft) is dus verplicht om gedurende een aantal jaren deze jaarschade aan elk van de nabestaanden uit te betalen. Voor wat betreft de kinderen wordt dan meestal gerekend tot aan het moment dat zij financieel op eigen benen kunnen staan (meerderjarigheid). Als aannemelijk is dat de kinderen gaan studeren, kan deze periode ook langer zijn.

Ook voor de partner geldt dat haar schade gedurende een aantal jaren vergoed zal moeten worden. De exacte lengte van deze periode is afhankelijk van de leeftijd van deze partner en haar levensverwachting.

Bij de berekening mag ook rekening worden gehouden met toekomstverwachtingen over het inkomen van de overledene. Als de overledene goede vooruitzichten had om zijn inkomen te vergroten (denk aan promotiekansen) dan kan dit in de berekening worden meegewogen.

Er zijn ook elementen die de overlijdensschade verkleinen. Denk bijvoorbeeld aan uitkeringen uit levensverzekeringen of een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet. Deze bedragen komen in mindering op de schadeberekening.

Opnieuw een voorbeeld.

De gegevens zij weer gelijk als in het vorige voorbeeld. In dit geval ontvangt de vrouw op grond van een levensverzekering jaarlijks 10.000 euro. Dit betekent dat de jaarschade van de vrouw vermindert tot 11.759 euro. Voor de kinderen verandert er niets, zij ontvangen namelijk geen geld uit deze levensverzekering.

Het is dus ook mogelijk dat het gezin zulke goede financiële voorzieningen getroffen heeft, dat er geen sprake is van behoeftigheid. In dat geval profiteert de aansprakelijke partij (degene die het overlijden veroorzaakt heeft) omdat hij dan geen schadevergoeding hoeft te betalen.

Aan de andere kant: een aantal jaren na het overlijden kan de financiële situatie er voor het achterblijvende gezin weer heel anders uitzien. De aansprakelijke partij moet dan mogelijk alsnog een schadevergoeding betalen.